Voorwaarden voor een dynamisch (boven)lokaal kunstenveld

Een meerstemmig landschap

Het zichtbaar maken en versterken van een lokaal ecosysteem

De Landschapstekening Kunsten biedt een uitgebreide analyse van het Vlaamse kunstenlandschap – sterk gewaardeerd, grondig en overzichtelijk, maar er is meer. Deze tekst schetst aanvullende trends vanuit stedelijke en bovenlokale praktijken.

De inzichten zijn in hoofdzaak gebaseerd op memoranda van lokale kunstenoverleggen (LOKO’s) en de expertise van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden met een bovenlokale cultuurwerking (IGS’en cultuur). Relevante inzichten uit beide praktijken vormen de bouwstenen voor een versterkt (boven)lokaal kunstenbeleid. Ook de memoranda van de Vlaamse belangenbehartigers, uiteraard de Landschapstekening Kunsten zelf en de Landschapstekening bovenlokale culturele ruimte dragen daaraan bij.

OP/TIL en Kunstenpunt faciliteerden het overleg- en schrijfproces. Krappe timing en overvolle agenda’s verhinderden de partners niet om de dialoog in de breedte en de diepte te voeren. Eerst zoekend en verkennend, dan steeds gedecideerder en met duidelijk gedeelde inzichten en waarden. De tekst, die de ambitie heeft een complementaire bijdrage te leveren aan de Landschapstekening Kunsten, kreeg vorm binnen een ad hoc samengestelde expertengroep: Niek Verlinden (Gents Kunstenoverleg), Veerle Janssens (Antwerps Kunstenoverleg), Lieve Moeremans en Hilde De Brandt (Cultuur Overleg Oostende), Georgy Chtchevaev en Christophe Aussems (CultuurNetwerk Leuven), Adinda Van Geystelen (Z33), Tom Ruette (Kunstenpunt), Gwennan Dekens en Inge Vandewalle (OP/TIL). De tekst werd in twee rondes voor feedback aangeboden aan de LOKO’s, de IGS’en en de belangenbehartigers, met name VVBAD, Cult!, De Federatie en oKo.

Vanuit het kunstperspectief kijken we samen naar de bredere realiteit waarin kunstpraktijken lokaal en bovenlokaal functioneren: verweven met andere culturele sectoren én ingebed in een complex maatschappelijk ecosysteem.

Lokale en bovenlokale actoren

Hoewel LOKO’s en IGS’en waardevolle inzichten aanreiken, is het belangrijk te benadrukken dat ze vandaag nog niet de volledige Vlaamse context dekken.

De LOKO’s zijn stedelijke, bottom-up ontstane structuren die vertrekken vanuit de praktijk en die, afhankelijk van de context, lokaal al dan niet structureel worden ondersteund. Zij zijn actief betrokken bij het lokaal kunstenbeleid en brengen inzichten aan die geworteld zijn in de lokale realiteit. Het Antwerps Kunstenoverleg (AKO), het Brugs Cultuuroverleg (BCO), het Gents Kunstenoverleg (GKO), RAB/BKO in Brussel, Cultuurnetwerk Leuven (CNoL), Cultuuroverleg Oostende (COO) ... slaan vandaag al de brug tussen het lokale cultuur- en kunstenbeleid. Structuur, middelen en verankering variëren echter sterk: van beperkte coördinatie tot vrijwillige engagementen, met terugkerende vragen naar opschaling, autonomie en structurele samenwerking.

Alle slagen erin een betekenisvolle input te leveren omdat ze vertrekken vanuit drie complementaire posities: als belangenbehartiger maken ze de noden van lokale kunstenaars, kunstenorganisaties en publieken zichtbaar; vanuit hun nabijheid tot lokale artistieke dynamieken en operationele realiteiten staan ze sterk in praktijkkennis; en als netwerker leggen ze verbindingen, bevorderen kennisdeling en versterken ze lokale samenwerking.

De IGS’en cultuur bieden expertise en nemen een potentiële rol op in een toekomstgericht versterkt (boven)lokaal kunstenbeleid. Zij worden gesubsidieerd vanuit het Bovenlokaal cultuurdecreet, dat momenteel 19 IGS’en cultuur ondersteunt. De regierol op een bovenlokale schaal staat centraal en vertaalt zich in het verbinden en faciliteren van netwerken van culturele actoren – waaronder kunstenaars, kunstwerkers en kunstenorganisaties –, het detecteren en ondersteunen van bottom-up praktijken en het verduurzamen van vernieuwende initiatieven. Vanuit hun fijnmazig en divers netwerk houden IGS’en cultuur vinger aan de pols met kleine en middelgrote gemeenten en tussen sectoren en beleidsdomeinen.

Het Bovenlokaal cultuurdecreet plaatst transversale samenwerking centraal. Het is de opdracht van IGS’en cultuur om bruggen te slaan tussen verschillende sectoren binnen het cultuurbeleid én naar andere beleidsdomeinen zoals Onderwijs, Welzijn, Economie, Toerisme, Sport en Onroerend Erfgoed. Het vernieuwde Bovenlokaal cultuurdecreet van 8 maart 2024 versterkt die rol. IGS’en cultuur ontwikkelen voeling met lokale cultuuractoren en zetten stappen in het versterken van het (boven)lokale kunstenbeleid. Ze verbinden kunstdisciplines met andere culturele sectoren en beleidsdomeinen, faciliteren laagdrempelige artistieke initiatieven en versterken talentontwikkeling op een bovenlokale schaal. Het bovenlokale is daarbij een versterkende laag, het vervangt het belang van een sterk lokaal cultuurbeleid niet.

Kunst als onderdeel van een geïntegreerd lokaal cultuurbeleid

Hoewel het Kunstendecreet voor veel betrokken organisaties een belangrijk referentiekader is, tonen de Landschapstekening Kunsten en de stedelijke memoranda aan dat kunstpraktijken zich niet geïsoleerd ontwikkelen. Vlaanderen organiseert beleidsdomeinen via afzonderlijke decreten en dat doet niet altijd recht aan een transversale dynamiek waarin kunsten voortdurend interageren met andere culturele deelsectoren en bredere maatschappelijke domeinen, en vice versa. Kunst is een wezenlijk onderdeel van het maatschappelijke weefsel. Lokale actoren ontwikkelen zich en opereren in de praktijk veelal binnen een geïntegreerd lokaal cultuurbeleid, tegenover een meer afgebakend kunstenbeleid op Vlaams niveau. Niet alle kunstorganisaties onder het Kunstendecreet verhouden zich tot het lokale niveau: hun scope is Vlaams en afhankelijk van hun werking ook internationaal. De plek waar ze gevestigd zijn, beïnvloedt de werking van die organisaties eerder impliciet dan expliciet.

Zowel de Landschapstekening Kunsten als de memoranda van de LOKO’s benadrukken dat kunst en cultuur bijdragen aan samenhang, kritisch burgerschap, verbeelding en maatschappelijke ontmoeting. De kunsten maken, samen met de circussector, amateurkunsten, het socio-cultureel verenigingsleven en de erfgoedsector, deel uit van een breed cultureel ecosysteem. Professionele en amateurpraktijken beïnvloeden elkaar wederzijds, delen netwerken en infrastructuren, en lopen in elkaar over. Vanuit de kunstpraktijk ontstaan bottom-up verbindingen met beleidsdomeinen zoals Onderwijs, Welzijn, Vrije Tijd, Jeugd en Toerisme.

Hoewel de duidelijke verwevenheid met het brede lokale cultuurbeleid wordt erkend, focust deze nota in eerste instantie op de noden en dynamieken van het (boven)lokaal kunstenbeleid, die werden gebundeld in zes thema’s. De eerste drie thema’s zijn expliciet kunstspecifiek, terwijl de andere eerder aansluiten bij ruimere behoeften binnen het lokale cultuurbeleid.

Versterk de lokale humuslaag

De Landschapstekening Kunsten toont hoe het Vlaamse kunstenbeleid in het afgelopen decennium de band met het lokale beleidsniveau grotendeels heeft losgelaten. De gevolgen daarvan worden vandaag pas ten volle zichtbaar. Met uitzondering van het Bovenlokaal cultuurdecreet heeft Vlaanderen nog weinig rechtstreekse instrumenten richting het lokale niveau.

Tegelijk bevinden kunstpraktijken zich vandaag in een nieuwe context: ze ontwikkelen zich steeds vaker (boven)lokaal, intersectoraal en evengoed op Europese schaal. Hoe kan Vlaanderen haar kunstenbeleid in deze nieuwe context verbinden met het lokale niveau, en tegelijk de omgekeerde beweging, van lokaal naar Vlaams, Belgisch en Europees, versterken?

De lokale humuslaag vormt de voedingsbodem waarop kunstpraktijken kunnen ontstaan en doorgroeien. Ze bestaat uit een breed scala aan lokale partners, van amateurkunstverenigingen tot professionele organisaties en sociaal-cultureel werk, uit voorzieningen zoals cultuurhuizen, musea, het deeltijds kunstonderwijs en bibliotheken. Samen creëren zij een omgeving waarin kunstenaars en kunstinitiatieven toegang hebben tot repetitieruimtes, werkateliers, presentatieplekken, materiaal, technische ondersteuning, publiek, begeleiding en laagdrempelige samenwerkingen met andere sectoren. Zonder die brede, laagdrempelige en ondersteunende omgeving ontbreekt de voedingsbodem waaruit bovenlokale en internationale trajecten kunnen ontstaan.

Tegelijk blijkt dat deze lokale humuslaag, hoe sterk en rijk ook, structureel kwetsbaar is. Lokale besturen dragen een groeiende verantwoordelijkheid voor infrastructuur, talentontwikkeling, publiekswerking en basisvoorzieningen, maar hun middelen en beleidsruimte zijn lang niet in verhouding toegenomen.

Vlaanderen moet daarom werk maken van een duidelijke afstemming tussen beleidsniveaus, in het bijzonder tussen het Kunstendecreet en het lokale cultuurbeleid, om een sterk lokaal kunstenbeleid mogelijk te maken. Het gaat daarbij niet om een strikte taakverdeling tussen beleidsniveaus, maar om het creëren van een samenhangend kader van op elkaar afgestemde decreten. Zo ontstaat voldoende bewegingsvrijheid voor het kunstenveld om zich te ontwikkelen, te experimenteren en samen te werken, zonder vast te lopen op institutionele, tijdelijke of financiële beperkingen.


Thematische uitwerking

Talentontwikkeling en nieuwe perspectieven voor kunsteducatie

Talentontwikkeling is een van de essentiële schakels in het kunstenecosysteem. Het vormt de basis voor artistieke vernieuwing, biedt ruimte voor diversiteit, ondersteuning voor duurzame carrières en voedt persoonlijke en maatschappelijke groei en kritisch burgerschap. De opsporing van talent is een verhaal van nabijheid. In het lokale kunst- en cultuurnetwerk zoeken kinderen, jongeren, volwassenen de kunstenaar in zichzelf. In het lokale netwerk van cultuurhuizen, kunstaanbieders, amateurkunsten, socio-culturele veld en (deeltijds kunst)onderwijs vinden ze aanmoediging en begeleiding voor verdere groei. Sommigen worden liefhebbers voor het leven, anderen trekken de kaart van de professionele ontwikkeling en creatie.

Daarbij is een inclusieve instroom cruciaal: superdiverse groepen, kansengroepen en nieuwe makers moeten volwaardig toegang krijgen tot die trajecten, zodat talentontwikkeling het brede maatschappelijk weefsel en zijn meerstemmigheid weerspiegelt. Ook publiekswerving en actieve toeleiding naar kunst zijn hierbij een noodzaak, omdat kennismaking en participatie pas duurzaam zijn als ze toegankelijk zijn voor iedereen.

Op jonge leeftijd kennismaken met kunst, draagt bij aan cultuurparticipatie op latere leeftijd en bevordert gelijke kansen. Toch blijft kunst- en cultuureducatie vandaag te vrijblijvend omdat de link met de ontwikkelingsdoelen en eindtermen in het leerplichtonderwijs te weinig prominent is en duurzame ondersteuning ontbreekt. Scholen die het lokale kunstenveld intra- of extra-muros willen betrekken en valoriseren, botsen op te lage budgetten, planlast en praktische drempels. Hierdoor blijft de toegang tot kunst- en cultuureducatie ongelijk en vaak afhankelijk van toeval of individuele inzet.

In het recent uitgerolde Decreet buitenschoolse opvang en activiteiten (BOA) ligt een kans om een deel van de doelgroep - lagere schoolkinderen die gebruikmaken van de opvang - toe te leiden naar kunst- en cultuureducatie. Het decreet steunt op een grote lokale autonomie, zowel voor de erkenningskaders als voor de aanpak. Een expliciete koppeling tussen de sociale en educatieve doelstellingen van het BOA-decreet met professionele spelers uit het Kunstendecreet en met de betrokken beleidsdomeinen, is essentieel voor duurzame trajecten.

Op Vlaams niveau mist de (kunst-) en cultuursector een speler rond de tafel die de stem van het gehele lokale cultuurbeleid uitdraagt - naar analogie met de ondersteuners in jeugd- en sportbeleid. Wanneer er lokaal weinig of geen affiniteit is met kunst- en cultuureducatie, wanneer er geen lokale kunst- of cultuurbeleidsexpert is of weinig lokaal aanbod is, dreigt die insteek immers verloren te gaan.

Maar talentontwikkeling is veel ruimer dan kunsteducatie. Het wordt loopbaanontwikkeling, kwaliteitsverhoging, innovatie ... Zowel beginnende als gevorderde kunstenaars, amateurs en professionals hebben blijvende nood aan ontwikkeling en ondersteuning daartoe. Residentieprogramma’s dragen bij aan de evolutie van kunstvormen, de groei van de kunstenaar en het ontstaan van kwaliteitsvolle creaties. Maar vanzelfsprekend wordt het niet. Initiatieven voor talentontwikkeling (in termen van levenslang leren en vernieuwend aanbod) vallen vaak weg zodra projectmiddelen eindigen en omdat veel gemeenten deze opdrachten niet expliciet of onvoldoende opnemen in hun meerjarige beleidsplannen. De ambitie voor een innovatief en gedreven kunstenbeleid, die zowel lokaal als Vlaams vaak luid wordt gearticuleerd, wordt in de praktijk dus niet gevolgd door een beleidsmatig kader, noch lokaal, noch bovenlokaal, waardoor continuïteit ontbreekt en jonge makers moeilijk kunnen doorgroeien.

Spreiding van het kunstenaanbod

Spreiding van kunsten en ruimte voor talentontwikkeling staan vandaag onder druk. Lokale programmatoren, curatoren en cultuurhuizen ervaren een groeiende discrepantie tussen ambities en beschikbare middelen. Door het uitblijven van indexering, stijgende loonkosten en een steeds bredere opdracht krimpt hun financiële en organisatorische ademruimte structureel. Daardoor verdwijnt de noodzakelijke witruimte in agenda, budget en infrastructuur die programmatoren nodig hebben om risico te nemen, nieuw talent te tonen en flexibel in te spelen op kansen.

Spreiding krijgt daarbij steeds nadrukkelijker een ruimtelijke dimensie: kunst dichter bij het dagelijkse leven brengen kan drempels verlagen en nieuwe publieken bereiken. Maar fysieke nabijheid volstaat niet. Cultuurhuizen die zich in een wijk vestigen, bereiken niet automatisch de bewoners van die wijk en spreken vaak dezelfde publieken aan als in een centrumgebied. Vooral initiatieven die organisch in een wijk zijn ontstaan, ingebed in lokale noden en gedragen door lokale netwerken, vormen een echte toegangspoort. Investeringen moeten daarom niet in de eerste plaats gaan naar organisaties die naar wijken trekken, maar naar initiatieven die uit wijken groeien en er duurzaam verankerd zijn. Ook talentontwikkeling is gebaat bij wijkgericht werken: nieuw en divers talent komt vooral naar voren in laagdrempelige, meerstemmige initiatieven in scholen, buurten en lokale samenwerkingen. Spreiding werkt pas wanneer ze is ingebed in een lokaal continuüm waarin professionele kunstpraktijk, participatie, gemeenschapsvorming en talentontwikkeling elkaar versterken.

De praktijk toont dat vroegere bovenlokale spreidingsmechanismen voor podiumkunsten (zoals Circuit X, Eigen Kweek, Trappelend Talent en vroegere speelreeksen) een cruciale rol speelden in professionalisering, talentontwikkeling en diversiteit van podiumaanbod. Ze blijven echter kwetsbaar omdat ze projectmatig en tijdelijk zijn, zonder een structureel beleidskader waarin ze kunnen landen.

Daarbovenop sluit het klassieke spreidingsbegrip steeds minder aan bij een verstedelijkt en verweven Vlaanderen, waarin publieksstromen zich al lang niet meer uitsluitend binnen gemeentegrenzen bewegen. Om die realiteit te weerspiegelen is er nood aan een vernieuwde en ambitieuze spreidingsvisie die rekening houdt met regionale en stedelijke dynamieken. Die visie moet een duidelijke afstemming scheppen tussen Vlaamse, bovenlokale en lokale rollen. Intergemeentelijke samenwerkingsverbanden kunnen, vanuit een bottom up werking met de kunsten, een regionale spilfunctie opnemen voor programmatie, kennisdeling en methodiekontwikkeling.

Bovenlokale dynamieken en innovatie

Het Vlaamse kunst- en cultuurlandschap ontwikkelt zich sterk lokaal en bovenlokaal. Via LOKO’s en IGS’en cultuur ontstaan fora voor afstemming, kennisdeling en gezamenlijke initiatieven. Een aantal centrumsteden zoekt bovendien samenwerking met de regio, geïnitieerd vanuit hun kandidatuur voor Europese Hoofdstad 2030 of via aanvragen binnen het Bovenlokaal cultuurdecreet.

Ook kunstenorganisaties en cultuurhuizen nemen steeds vaker een bovenlokale rol op, omdat culturele netwerken en publieksstromen zich niet tot de stadsgrenzen beperken. Uit de Landschapstekening bovenlokale ruimte (OP/TIL) blijkt dat kunstenaars en kunstenorganisaties intensief gebruik maken van de bovenlokale subsidielijn. Daardoor sturen zij de inhoudelijke dynamiek van de projectwerking en verbinden ze creatie, participatie, talentontwikkeling en regionale spreiding. Hun trajecten functioneren als natuurlijke schakels tussen gemeenten en sectoren. Tegelijk blijft hun bijdrage vaak projectmatig en freelance georganiseerd, wat hun positie kwetsbaar maakt.

Die bovenlokale dynamiek die door de kunsten wordt aangedreven, vraagt lokale besturen om mee te schakelen. Kunstprojecten overstijgen steeds vaker de logica van één gemeente en vragen betrokkenheid, partnerschap en afstemming over grenzen heen. Voor kleinere gemeenten creëert dit kansen: via bovenlokale structuren krijgen ze toegang tot expertise, programmatiekracht en schaalvoordelen die ze individueel moeilijk kunnen realiseren. Zo kunnen kunsttrajecten uitgroeien tot hefbomen die lokale en regionale ambities verbinden.

Precies daar ontstaat ook spanning. Er zijn overal in Vlaanderen sterke culturele dynamieken, denk aan Avansa’s, cultuurhuizen, verenigingen en educatieve spelers die bovenlokaal werken, maar gemeenten beschikken niet altijd over de budgetten, de personele capaciteit of de tijd om een duurzame bovenlokale samenwerking op te nemen. Daardoor groeit het verschil tussen regio’s met een sterk historisch samenwerkingsweefsel en regio’s waar dat weefsel dunner is, zonder dat dit iets zegt over de kwaliteit van de lokale praktijk. Cultuurhuizen ervaren deze spanning scherp: zij zijn lokaal verankerd maar krijgen tegelijk verwachtingen opgelegd om een bovenlokale rol te spelen. Hun bereidheid om te investeren in gedurfde programmatie of bovenlokale projecten wordt vaak begrensd door lokale prioriteiten, financiële druk en beleidskaders die op de eigen inwoners gericht zijn.

In sommige steden wordt bovendien gevreesd dat populistische of kortetermijnpolitieke keuzes de strategische, bovenlokale ambitie in de weg staan. De paradox is dus duidelijk: gemeenten hebben samenwerking nodig om hun culturele ambities waar te maken, maar missen tegelijkertijd de prikkels, kaders en structuren om in die samenwerking voluit te gaan, waardoor ze in de praktijk blijven functioneren vanuit een (te) sterk lokaal, en soms geïsoleerd, perspectief.

Ruimtegebruik en cultuurinfrastructuur

De cultuurinfrastructuur in Vlaanderen staat onder druk. (Boven)lokale cultuurinfrastructuur omvat alle plekken waar cultuur wordt gemaakt, gedeeld en beleefd: van basisvoorzieningen zoals cultuurhuizen, bibliotheken, musea en vrijetijdssites tot gedeelde gemeenschapsruimtes zoals verenigingslokalen en parochiezalen. Ze omvat ook werk- en presentatieruimtes voor kunstenaars, creatieve broedplaatsen, tijdelijk ruimtegebruik en herbestemde erfgoedgebouwen zoals kerken, kloosters of industrieel patrimonium. Samen vormen deze plekken de noodzakelijke omgeving voor participatie, ontmoeting, talentontwikkeling, experiment en gemeenschapsvorming, en daarmee een onmisbare pijler van het lokale, bovenlokale en Vlaamse culturele ecosysteem.

Een aanzienlijk deel van de gebouwen is verouderd en voldoet niet langer aan de huidige kwaliteits-, veiligheids- en comfortnormen voor kunstenaars, cultuurwerkers en publiek. Omdat voldoende financiering voor structureel onderhoud ontbreekt, moeten kunstenorganisaties een deel van hun artistieke werkingsmiddelen inzetten om basisvoorzieningen te garanderen.

Er is een uitgesproken tekort aan betaalbare ruimtes voor creatie en experiment — ateliers, repetitielokalen, opslagruimtes, studio’s die (amateur)kunstenaars toelaten om te werken en te onderzoeken. Gedeeld ruimtegebruik biedt een deel van de oplossing, maar er is actie nodig om een versnelling te realiseren. Heel wat beschikbare plekken blijven onzichtbaar of worden slechts sporadisch gebruikt, potentiële ruimte gaat verloren omdat een overzicht van beschikbare infrastructuur ontbreekt. Leegstaande sites kunnen strategischer ingezet worden als aanvullende ruimte voor cultuur.

De digitale achterstand van heel wat cultuurhuizen is een belangrijke hinderpaal. Verouderde of ontbrekende systemen voor planning, gebouwbeheer en reservaties bemoeilijken gedeeld ruimtegebruik, efficiënt en ecologisch beheer.

Ook de versnippering van verantwoordelijkheden vergroot de infrastructuuruitdaging. De bevoegdheden voor en het eigenaarschap van cultuurinfrastructuur liggen verspreid over lokale, bovenlokale en Vlaamse niveaus, wat leidt tot onduidelijkheid over wie beslist, beheert of toegang verleent. Zonder een gedeelde logica is het moeilijk om cultuurinfrastructuur op lange termijn duurzaam te organiseren en in te spelen op noden van kunstenspelers.

Actoren uit de Kunsten, Cultuur, Jeugd, het Sociaal-Cultureel werk, Onderwijs en Welzijn werken, vaak uit noodzaak, op gedeelde locaties. Hun uiteenlopende verwachtingen en gebruikersprofielen leiden tot botsende noden, wat de nood aan duidelijke afspraken en een coherent beheermodel des te dringender maakt.

Tot slot is er nood aan meer transparantie over bestaande financieringsmogelijkheden. Een duidelijk overzicht van subsidies en voorwaarden, aangevuld met flexibelere lijnen voor infrastructuur en gedeeld gebruik, zou gebruikers in staat stellen gerichter op actuele noden te reageren.

Kennis, data en bronnen

Lokale en bovenlokale actoren geven aan dat ze betrouwbare en uniforme data nodig hebben om hun kunst- en cultuurbeleid te onderbouwen. Gegevens zijn vandaag niet voldoende vergelijkbaar tussen gemeenten en regio’s, onder meer omdat de Lokale Vrijetijdsmonitor belangrijke hiaten bevat. Data over spreiding, publieksbereik, infrastructuur, financiën en tewerkstelling zijn niet volledig en onvoldoende gedetailleerd, terwijl net die informatie een noodzakelijke basis vormt voor doordacht evidence-based beleid.

Het gaat daarbij niet alleen om cijfers op zich, maar om gedeelde inzichten die afgestemd zijn op de manier waarop lokale besturen beleid maken. Lokale besturen beschikken niet altijd over de data die ze nodig hebben om keuzes te onderbouwen of evoluties te volgen. Omgekeerd bemoeilijkt dit ook de afstemming van Vlaams beleid op wat lokaal leeft. De Vlaamse Lokale Vrijetijdsmonitor moet daarom worden herzien vanuit de centrale vraag wat Vlaanderen extra moet bevragen om lokale beleidsvorming te ondersteunen en te sensibiliseren. Ook de complementariteit met de gemeente- en stadsmonitor is te herbekijken.

Daarnaast is er nood aan gedeelde systemen voor monitoring tussen beleidsdomeinen. Omdat kunst en cultuur nauw verweven zijn met andere culturele domeinen, met Jeugd, Welzijn, Onderwijs en Vrije Tijd, volstaat het niet om binnen één domein data te verzamelen. Door gegevens beter op elkaar te laten aansluiten, ontstaat zicht op regionale dynamieken en op blinde vlekken. Kennisdeling tussen lokale en bovenlokale actoren blijft noodzakelijk. Ze vormt de basis voor een veerkrachtig ecosysteem van samenwerkende actoren.

Digitalisering

Digitalisering maakt nadrukkelijk deel uit van de manier waarop kunst en cultuur lokaal worden gemaakt, getoond, georganiseerd en gedeeld. Deze ontwikkeling vraagt om een brede benadering waarin digitale praktijken niet losstaan van het lokale cultuur- en kunstenbeleid, maar er een integraal onderdeel van vormen. Digitale middelen versterken zichtbaarheid, participatie en educatie, verbinden cultuur met andere beleidsdomeinen en werken gemeenschapsvormend. De toegang tot digitale infrastructuur en kennis blijft echter ongelijk verdeeld.

Digitalisering gaat niet alleen over (toegang tot) technologie, maar ook over vaardigheden, werkprocessen en gedeelde standaarden. De veelheid aan digitale tools toont de nood aan interoperabiliteit en aan een duidelijke regie over wie digitale platformen ontwikkelt, beheert en onderhoudt. Initiatieven zoals Open Creatives tonen het potentieel van gedeelde digitale infrastructuur die lokaal en bovenlokaal inzetbaar is. Bibliotheken en cultuurhuizen evolueren naar hybride plekken waar burgers zowel fysiek als digitaal toegang krijgen tot informatie, cultuur en ontmoeting.

Digitalisering beïnvloedt het culturele ecosysteem van creatie en publiekswerking, tot productie en interne organisatie. Veel cultuurhuizen botsen daarbij niet alleen op vaardigheidsdrempels, maar vooral op structurele en financiële grenzen bij het digitaliseren van planning, reservaties en administratieve processen. De beschikbare geïntegreerde systemen zijn vaak onvoldoende afgestemd op de noden van cultuurorganisaties. Dit vraagt om gerichte ondersteuning in opleiding, infrastructuur en beschikbare uren, maar ook om de ontwikkeling van betaalbare, sectorgerichte digitale oplossingen. Daarnaast rijst de vraag in hoeverre innovatieve middelen en instrumenten die in het bedrijfsleven gangbaar zijn, toegankelijk kunnen worden gemaakt voor de kunstensector.

Digitale duurzaamheid vormt tot slot een belangrijk aandachtspunt. Het gebruik van digitale infrastructuur brengt niet alleen kansen met zich mee, maar ook de verantwoordelijkheid om aandacht te hebben voor ecologische impact, toegankelijkheid en langetermijnbestendigheid. Door in te zetten op gedeelde kennis, digitale geletterdheid en afgestemde systemen, kan digitalisering uitgroeien tot een verantwoorde versterkende factor binnen het lokale en bovenlokale cultuurbeleid.

Beleidsaanbevelingen

Op basis van de stedelijke en bovenlokale inzichten in deze nota richten we een duidelijk appèl aan de Vlaamse minister van Cultuur. We vragen om het Vlaamse kunstenbeleid opnieuw te verbinden met de lokale en bovenlokale realiteit waarin kunstpraktijken ontstaan, groeien en zich verankeren. Concreet vragen wij inzet op vijf beleidslijnen.

Behalve de behoefte om vanuit het lokaal cultuurbeleid opnieuw te verbinden, klinkt de roep voor een lokaal kunstenbeleid steeds luider. Het (boven)lokale kunstenveld functioneert als een verweven ecosysteem. De Vlaamse overheid heeft in dit ecosysteem een specifieke, kaderzettende en ondersteunende rol van waaruit lokale besturen en bovenlokale structuren hun opdracht en ambities kunnen opnemen en realiseren.

Strategische kaders definiëren


  • Herbekijk de Vlaamse spreidingsvisie en ontwikkel een duurzaam, niet-projectmatig spreidingsmechanisme dat ook risicovolle programmatie mogelijk maakt.

  • Werk een samenhangend kader uit waarin het Kunstendecreet en het Bovenlokaal cultuurdecreet elkaar lokaal versterken in plaats van doorkruisen.

  • Versterk in de Vlaamse regelgeving de structurele koppeling tussen Kunst, Cultuur, Jeugd en Onderwijs met Welzijn en Zorg.

  • Voorzie een beleidskader dat meegroeit met de bovenlokale opdrachten van instellingen en de ambities van kunstenaars en kunstenhuizen; kijk verder dan het louter gemeentelijke perspectief.

  • Positioneer innovatie als een bovengemeentelijke verantwoordelijkheid, met aandacht voor circulaire, hybride en ecologische vernieuwing.

Randvoorwaarden creëren

Naar een sterk, meerstemmig en duurzaam lokaal ecosysteem voor talentontwikkeling

  • Zorg voor expliciete verbindingen tussen kunsteducatie, sociaal-cultureel werk, amateurkunsten, DKO, jeugd, welzijn, buurtwerking en scholen, zodat duurzame trajecten kunnen ontstaan.

  • Faciliteer het potentieel van BOA door kunst en cultuur sterker te verankeren in lokale leer- en ontwikkeltrajecten.

  • Versterk de structurele verankering van kunsteducatie binnen leerplichtonderwijs en DKO, met expliciete koppelingen aan eindtermen en onderwijsdoelen.

  • Ontwikkel een ecosystemische aanpak voor talentontwikkeling die verder gaat dan projectsubsidies en waarin meerstemmigheid centraal staat.

  • Ondersteun lokale cultuurwerkers (programmatoren, curatoren, initiatiefnemers) via inhoudelijke expertise en beschikbare middelen.

Naar een gedeeld, toegankelijk en toekomstgericht ruimtelijk kader voor kunst- en cultuurpraktijken

  • Ontwikkel een Vlaams kader voor gedeeld, multifunctioneel en duurzaam gebruik van cultuurinfrastructuur.

  • Zet in op een inventaris en matching van beschikbare culturele ruimtes, ondersteund door digitale tools.

  • Integreer Open Creatives op Vlaams niveau als instrument voor het zichtbaar maken en matchen van onderbenutte ruimtes met gebruikers.

  • Ondersteun experimenteel en tijdelijk ruimtegebruik als motor voor nieuwe kunst- en samenwerkingspraktijken.

  • Investeer in een toolkit voor gastvrij, transparant en afgestemd beheer van gedeelde infrastructuur, zodat verschillende sectoren spanningsvrij ruimtes kunnen delen.

  • Initieer — in combinatie met leegstandsbeleid — kansen om infrastructuur strategisch in te zetten als culturele creatieruimte of tijdelijke culturele invulling.

Naar digitale basisvoorwaarden die lokale en bovenlokale kunstpraktijken mogelijk maken

  • Stimuleer digitale geletterdheid en hybride werkvormen binnen kunst- en cultuurhuizen.

  • Voorzie ondersteuning in digitale infrastructuur, opleiding en personele capaciteit, vooral voor kleinere cultuurhuizen.

  • Werk aan interoperabiliteit en standaardisering van digitale systemen zoals planning, reservaties en gebouwbeheer.

  • Zorg voor digitale duurzaamheid, met aandacht voor ecologische impact, toegankelijkheid en langetermijnbestendigheid.

Middelen en regelgeving afstemmen

Programmatie & toegankelijkheid

  • Voorzie de middelen die nodig zijn om te programmeren, nicheprogrammatie te financieren en ticketprijzen toegankelijk te houden.

  • Maak expliciet dat initiatieven die spreiding voor ogen hebben financierbaar moeten zijn binnen het Bovenlokaal cultuurdecreet.

Infrastructuur & regelgeving

  • Voorzie middelen voor renovatie, herbestemming en gedeeld beheer van lokale en bovenlokale infrastructuur; pak het verouderde infrastructuurlandschap structureel aan via onderhoud, renovatie en verduurzaming.

  • Maak subsidieregels voor infrastructuur flexibeler en dynamischer, gericht op onderhoud, creatie, gedeeld gebruik en tijdelijke invullingen.

  • Veranker innovatie structureel in het Bovenlokaal cultuurdecreet; projectmatige middelen zijn onvoldoende voor duurzame innovatie.

Bestuurskracht ondersteunen (lokaal & bovenlokaal)

Focus: lokale besturen versterken in hun strategische en samenwerkingscapaciteit


  • Stimuleer en ondersteun kennisdeling tussen lokale besturen en bovenlokale actoren zodat blinde vlekken en bovenlokale dynamieken zichtbaar worden en strategische keuzes beter onderbouwd kunnen worden.

  • Faciliteer toekomstgerichte en structurele samenwerking tussen beleidsniveaus (lokaal, bovenlokaal, Vlaams) rond kunst- en cultuurbeleid.

  • Blijf bovenlokale samenwerkingsstructuren (zoals IGS’en cultuur) erkennen en ondersteunen als schakels die de bestuurskracht van lokale besturen versterken.

  • Ontwikkel gedeelde datastandaarden voor lokale, bovenlokale en Vlaamse beleidsvorming.

  • Versterk en actualiseer de Vlaamse monitoringinstrumenten (zoals de Vrijetijdsmonitor) en werk hiaten weg rond spreiding, publieksbereik, infrastructuurgebruik en tewerkstelling.

Gebiedsgericht werken


  • Ontwikkel een helder kader en rolverdeling tussen Vlaams, bovenlokaal en lokaal niveau. De huidige rolverdeling is onvoldoende duidelijk, waardoor samenwerking en strategische keuzes bemoeilijkt worden.

  • Verminder regionale ongelijkheid in samenwerking en capaciteit. Niet alle regio’s beschikken over evenveel middelen, tradities van samenwerking of personele capaciteit. Zonder Vlaamse ondersteuning ontstaan blinde vlekken en ongelijke kansen.

  • Voorzie prikkels en voorwaarden voor duurzame intergemeentelijke samenwerking. Gemeenten willen samenwerken, maar de incentives, kaders en ondersteuning ontbreken.

  • Zorg dat gebiedsgericht beleid inhoudelijk gevoed wordt door het kunstenveld. Regionale samenwerking werkt enkel wanneer ze uitgaat van de noden en dynamieken van kunstenaars, organisaties en culturele praktijken — niet louter vanuit bestuurlijke logica.


Overzicht bronnen

Titel van de Bron

Datum / Beleidsperiode

Stad / Context

Memorandum Brugge (BCO)

Beleidsperiode 2024-2030

Brugge (BCO)

Memorandum Cultuurhuizen (CULT!)

‘The next fifty’ (toekomstvisie)

Vlaanderen en Brussel (cult! netwerk)

Memorandum Gent

Beleidsperiode 2025-2030

Gent (Cultuurraad Gent)

Memorandum Mechelen_2025-2030

6 september 2023 (Beleidsperiode 2025-2030)

Mechelen (Cultuurraad Mechelen)

Memorandum Oostende

Beleidsperiode 2025-2031

Oostende

Memorandum Sint-Niklaas (2019-2024)

Goedgekeurd 08 mei 2018 (Beleidsperiode 2019-2024)

Sint-Niklaas (Cultuurraad Sint-Niklaas)

Memorandum-oKo.pdf

Beleidsperiode 2024-2029

Vlaanderen en Brussel (oKo)

Een rode draad voor cultuur_Brussel (RABKO)

Update 17 juli 2024 (opgesteld in verkiezingsjaar 2024)

Brussel (RABKO / BKO)

Memorandum Antwerpen (AKO)_2024

Beleidsperiode 2025-2031 (opgesteld in 2024)

Antwerpen (AKO)

Landschapstekening Kunsten – Kunstenpunt

2025 (publicatiedatum 18 september 2025)

Vlaanderen / Kunstenveld

Landschapstekening Bovenlokale Culturele Ruimte – OP/TIL

2023

Vlaanderen / Bovenlokaal (OP/TIL)

Bijlage bij nota (boven)lokaal kunstenveld

Concretisering aanbevelingen

datum: 29/01/2026
door: de werkgroep van LOKO’s - aangevuld met input van de IGS’en gefaciliteerd door Kunstenpunt en OP/TIL

Ter herinnering:

Deze concretisering is een verdieping van de nota (boven)lokaal kunstenveld en bestaat dus niet op zichzelf, maar enkel als bijlage bij die nota. Voor meer details en context verwijzen we ook naar de nota. We spraken met het kabinet Cultuur ook af om enkel de drie prioritaire thema’s uit te diepen en te vertalen in concrete en heldere aanbevelingen. We schoven er origineel 6 naar voren.

We benadrukken dat we met deze nota vanuit kunstenperspectief kijken naar de brede realiteit waarin kunstenpraktijken lokaal en bovenlokaal functioneren. We zoeken dus naar de match tussen het Vlaamse, het bovenlokale en lokale cultuurbeleid, met oog voor het hele ecosysteem waarbinnen de kunsten een plek hebben in interactie met andere sectoren en beleidsdomeinen.

Daarnaast willen we expliciet benadrukken dat deze input op een heel korte tijd werd opgeleverd én met maar een beperkte groep tot stand kwam. Ook dwingt de lengte van het document ons om heel kernachtig te formuleren. Een aantal aanbevelingen zijn kant en klaar, maar andere vereisen verdieping, inhoudelijke uitwerking en meer gedragenheid, om niet enkel effecten in de steden te beogen, maar ook tot in de kleinste landelijke gebieden. Neem daarbij het aanbod van de taskforce ernstig in overweging. We werken hier heel graag op verder!

Overkoepelende aanbevelingen: verscherp opnieuw de Vlaamse stimulerende rol naar lokale besturen

Maak komaf met de ‘postcode-ongelijkheid’. Waar je in Vlaanderen woont, mag je niet de kansen op toegang tot de (ondersteuning van) kunsten - van lokale en bovenlokale financiering tot het Kunstendecreet - bepalen. Een aantal concrete pistes die de Vlaamse overheid kan bewandelen.

  • Moedig lokale besturen opnieuw en meer aan om een subsidiereglement te ontwikkelen waar ook kunstenaars gebruik van kunnen maken. Onderzoek de huidige situatie - wat zijn die reglementen, welke drempels komen erin voor, welke noden hebben kunstenaars, ... - en stel die inzichten ter beschikking van lokale besturen zodat zij ermee aan de slag kunnen.

  • Voorzie meer coaching, voor aanvragen tot financiering op lokaal, bovenlokaal vlak of in het Kunstendecreet, via de steunpunten Kunstenpunt & OP/TIL en de IGS’en met een bovenlokale cultuurwerking.

  • Eer het continuüm lokaal - bovenlokaal - Vlaams en houd dus ook de projectenlijn binnen het Bovenlokale Cultuurdecreet voldoende relevant voor kunstenprojecten.

  • Maar kijk ook binnen het Kunstendecreet welke mogelijk instrumentarium de lokale en bovenlokale context kan stimuleren.

  • Vergroot daarbij ook de kennis bij beoordelaars in het Kunsten- en Bovenlokale Cultuurdecreet: een lokaal bestuur heeft vandaag niet meer de expliciete opdracht om te investeren in kunst en cultuur. De rol van het lokaal bestuur mag dan ook niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling in het Kunstendecreet. Vlaanderen kan een rol opnemen in het ter beschikking stellen van correcte data en een benchmark.

Stel een taskforce samen op landelijk niveau.

De onderstaande drie thema’s beroeren de gehele sector van het kunsten- en lokaal cultuurbeleid. Daarom adviseren we: stel een taskforce samen op landelijk niveau - bestaande uit bijvoorbeeld Kunstenpunt, OP/TIL, Cult!, oKo, de Loko’s en praktijkexperten voor de specifieke thema’s. Als de minister haar beleid tot in ‘de landelijke’ gebieden wil laten resoneren, is het noodzakelijk om ook die experten mee rond de tafel te vragen. De taskforce neemt de onderstaande thema’s vast en zorgt voor context en verdieping waar nodig en dat op korte, middellange en lange termijn via een degelijk participatief traject, voor onderzoek en voor experiment.

Talentontwikkeling

Het opsporen van talent is een kwestie van nabijheid, interpersoonlijk contact en vertrouwen.

Creëer een enveloppensubsidie voor de rol van kwartiermaker.

De kwartiermaker - of verbindingsofficier - zorgt voor de noodzakelijke verbindingen om een humuslaag te creëren die talentontwikkeling - zowel bij beginnende als bij gevorderde kunstenaars - alle kansen geeft. Het is een plan van aanpak waarin connecties gezocht worden - met de amateurkunstensector, het DKO, welzijnspartners, ... - vanuit een grote nabijheid. Daarbij draait het dan ook vooral om de rol die opgenomen wordt. Dat kan door een persoon, maar ook door een collectief of organisatie. Er is een duidelijk engagement aan verbonden, van het IGS of lokaal bestuur - of samenwerking van lokale besturen in regio’s zonder IGS

Voor een beleidsperiode voorziet Vlaanderen een personeelssubsidie en werkingsbudget, bijvoorbeeld als (bijkomende) opdracht in het Bovenlokaal Cultuurdecreet. Hierbij is nog meer nood aan een degelijke rolbeschrijving.

Voer een slim, transversaal en ondersteunend kunsteducatiebeleid.

Talentontwikkeling moet ook over beleidsdomeinen heen kijken. Erken de cruciale rol van de IGS’en als netwerkpartner in die samenwerking. Als verbinder met verschillende sectoren: cultureel erfgoed en musea, met het jeugdcultuur binnen het jeugddecreet, met het DKO, met het amateurkunstenveld, ... Daarbij staat de democratische gedachte voorop dat het niet zou mogen uitmaken waar in Vlaanderen je woont om toegang te krijgen tot kunsteducatie / financiering voor de kunsten.

Stimuleer trajecten op maat binnen de IGS met een bovenlokale cultuurwerking, bijvoorbeeld als beleidsprioriteiten binnen het Bovenlokale Cultuurdecreet of het Kunstendecreet. Stimuleer samenwerking in niet-IGS gebieden om ook in te dienen.

Verbind onderwijs met kunst.

Zorg voor een efficiëntere bundeling tussen de verschillende Vlaamse initiatieven die nu al bestaan.

  • Breng eerst de hoogste noden in kaart,

  • stem initiatieven als Cultuurkuur en Netwerk Vitamine C beter op elkaar af

  • ga in dialoog met de onderwijssector en koppel muzische vorming ook aan kritisch burgerschap, zodat de overgang naar de eindtermen in het secundair onderwijs vlotter verloopt.

  • Zoek afstemming met het decreet Buitenschoolse Opvang en Activiteiten (BOA) en monitor vooral de blinde vlekken.

  • Beperk kunsteducatie niet tot het BOA-decreet: mik ook op de allerjongsten, jongeren en volwassen, op levenslang en levensbreed leren, op professionele kunstenaars die zich verder willen ontwikkelen. Kijk daarbij naar de verbindingen met amateurkunsten en de socio-culturele sector om brede publieksparticipatie te bereiken.

  • Integreer de kunsten in een visie op bibliotheken (die in opmaak is), zodat de bibliotheek mee geïntegreerd wordt in het noodzakelijke ecosysteem voor talentontwikkeling van kunstenaars.

Spreiding

Bij spreiding ligt de nadruk op democratisering, het dichten van de kloof tussen stad en regio en het herdenken van het huidige aanbodmodel. We zijn overtuigd van de maatschappelijke waarde van kunst en beschouwen spreiding daarbij als onderdeel van participatie.

Bij de spreiding van de kunsten willen we ook benadrukken dat er een verschil is per discipline. Vaak wordt naar spreiding te eng vanuit de (traditionele) podiumkunsten gekeken, terwijl dat bijvoorbeeld al anders is voor de pop- en rocksector en helemaal anders voor de beeldende kunsten.

Werk aan visie en richtlijnen voor spreiding en participatie.

Rond dit thema is de hele sector heel bezorgd. Daarom adviseren we opnieuw: stel een taskforce samen op landelijk niveau (zie boven voor samenstelling) die in 6 maanden tijd een plan maakt voor de komende 4 jaar. Zij organiseren een degelijk participatief traject over nieuwe modellen voor spreiding dat lokale cultuurhuizen, kunstproducenten en bookers op gelijke voet betrekt. Die taskforce test de ideeën ook meteen uit in de praktijk:

  • niet enkel vanuit rollen, ook vanuit noden: wat heeft elk niveau nodig?

  • startend vanuit een objectieve analyse over de relatie tussen de gesubsidieerde kunsten en lokale cultuurhuizen.

  • met een definitie van de (programmatie)kracht waarbij lokale cultuurwerkers handvatten krijgen vanuit duidelijke Vlaamse noden.

  • met als doel een minimale richtlijn die Vlaanderen voor lokale cultuurhuizen (en bibliotheken) definieert om de toegang tot de kunsten te garanderen. Daarin wordt ook de waarde van het lokale cultuurbeleid erkend, als onmisbare schakel in het ecosysteem.

  • afgestemd op de lokale beleidscyclus, zodat kunsten ook deel worden van de lokale meerjarenplannen.

  • Zij brengen in kaart, faciliteren de dialoog en zetten het experiment op,

    • bijvoorbeeld rond ‘regionaal podium’: afstemming binnen IGS’en en regio(‘s) met langere speelreeksen én infrastructuurvoorwaarden - een coalitie tussen cultuurhuizen en kunstendecreet-gelinkte producenten en presentatieplekken.

    • rond nieuwe spreidingsmodellen, vertrekkend vanuit de huidige (nieuwe) realiteit waarin lokale én landelijke spelers nieuwe rollen innemen, onlosmakelijk van elkaar - met aandacht voor duurzame praktijken en schaalvergroting - en vanuit het idee dat ook productie onderdeel is van de spreidingskwestie.

    • Daarbij adviseren we ook heel concreet om artikel 18 van het Uitvoeringsbesluit Kunstendecreet te herdenken: de functiespecifieke criteria worden nu te eng ingevuld door de beoordelaars.

  • Zij ontwikkelen nieuwe cultuurprofielen, die naast de experten opereren. Zie daarvoor ook de suggestie van de ‘kwartiermaker’.

Voer (apart) de discussie over de financiën en pas het instrumentarium aan.

Hoe betalen we dit? Moet alles toeren? Welke werken zijn contextafhankelijk? Welke werken zijn procesafhankelijk? Verplaatst het publiek zich makkelijk? Wat kunnen we leren van internationale voorbeelden? ...?

Overweeg daarbij:

  • Een integratie van de subsidielijn innovatieve partnerprojecten in het Bovenlokale Cultuurdecreet.

  • Honoreer succesformules (uit de praktijkexperimenten) met een structurele subsidielijn, zodat de nodige deskundigheid kan ingebed worden bij organisaties en dat ze kunnen werken vanuit een plan van aanpak met een instroom én uitstroombeleid. Zie ook opnieuw de suggestie van de ‘kwartiermaker’.

  • Voorzie de ondersteuning voor die projecten vanuit de steunpunten: OP/TIL, Kunstenpunt en/of Cultuurconnect.

  • Waardeer het proces en de zoektocht meer in de decreten, niet enkel het (meetbare) eindresultaat.

  • Installeer overleg en regie: faciliteer één keer per jaar een overleg tussen de verschillende bestuursniveaus, gestoeld op het overleg van Sport Vlaanderen, bijvoorbeeld door OP/TIL.

Cultuurinfrastructuur

In de beleidsnota 2024-2029 legt de Vlaamse overheid duidelijke accenten over cultuurinfrastructuur en het (boven)lokaal kunstenbeleid. We sluiten op die beleidsintenties aan om verder te concretiseren.

  • Ontwikkel een richtinggevend en uitvoerbaar Vlaams kader voor cultuurinfrastructuur, waarin bij de opmaak ook rekening wordt gehouden met de lokale en bovenlokale context.

    • Formuleer daarbij: minimale parameters en duidelijke, toetsbare doelstellingen rond spreiding van infrastructuur, kwaliteit, duurzaamheid en gedeeld gebruik.

    • Maak expliciete keuzes over ambitie en prioriteiten, gekoppeld aan een realistisch budgettair kader + realistische timing. Specifieke technische noden van kunsteninfrastructuur zijn geen beleidsprioriteit.

  • Veranker gedeeld, hybride en multifunctioneel ruimtegebruik als structureel beleidsprincipe binnen het Vlaamse infrastructuurbeleid voor kunst en cultuur. Houd daarbij rekening met:

    • subsidievoorwaarden, kaders en standaarden die gedeeld gebruik expliciet erkennen bij nieuwbouw, renovatie en herbestemming.

    • structurele aandacht voor exploitatie, coördinatie en professioneel beheer. Voorzie daarbij de rol van plekwerker: een kwartiermaker / verbindingsofficier voor culturele infrastructuur, in de gemeente of regio (binnen het IGS).

    • maak komaf met overbodige administratie.

  • Stem fondsen en beleidsinstrumenten over beleidsdomeinen - Cultuur, Onderwijs, Welzijn, Jeugd, Sport en Onroerend Erfgoed, middelen centrumstedenbeleid, ... - heen op elkaar af.

    • Verken hoe andere beleidsdomeinen - bv. onderwijs en welzijn - fondsen omgaan met multifunctionele infrastructuur en complexe beheermodellen, en onderzoek van de toepasbaarheid binnen cultuurinfrastructuur.

    • Reik alternatieve modellen aan om (samen) te investeren. Zet daarbij ook sterker in op publiek-private samenwerking en alternatieve financiële modellen binnen de regelgeving en subsidies, zoals coöperaties, gemeenschapsmodellen en rollende fondsen, met blijvende evaluatie en bijsturing van bestaande instrumenten.

  • Voorzie expliciete beleidsruimte voor alternatieve modellen binnen regelgeving en subsidies.

    • Voorzie de opdracht voor een steunpunt om tegemoet te komen aan de nood aan experiment, kennisdeling van leerprocessen en samenwerkingsvormen, met aandacht voor de structurele praktijkgerichte ondersteuning voor lokale besturen.

      • onderzoek de nood om gedeelde en bovenlokale cultuurinfrastructuur te realiseren.

      • ontzorg door begeleidingstrajecten, experiment, kennisdeling en coaching - bijvoorbeeld via proeftuinen en lerende netwerken.

      • Zet de regierol van de IGS’en hier expliciet op in (vanuit een opdracht binnen decreet).

      • Veranker zo ook de structurele dialoog rond cultuurinfrastructuur met het veld en tussen de beleidsdomeinen, zodat beleidskeuzes getoetst kunnen worden aan reële noden en praktijken - binnen een sterke interne samenhang in de culturele bovenbouw.

  • Zet de Basisinventaris Cultuur- en Jeugdinfrastructuur (CJI) in als actief sturingsinstrument

    • ontwikkel deze registrerende databank tot een actief sturings- en reflectieinstrument voor het (boven)lokaal kunstenbeleid zodat lokaal en bovenlokaal datagestuurde keuzes kunnen maken.

    • ontwikkel kwaliteitscriteria en inspiratiekaders.

    • verken benchmarking van cultuurinfrastructuur, naar analogie met sportinfrastructuur, met respect voor schaalverschillen tussen gemeenten, waarbij er expliciete aandacht is voor nabijheid, spreiding van de cultuurinfrastructuur en bereikbaarheid, met bijzondere focus op kleinere en middelgrote gemeenten.


Decorative-Element
Decorative-Element